Ik fiets het bruggetje op, met tegenwind en regen, en zonder versnellingen. Voor mij fietst een donkere man, iets ouder dan ik. Ik zit net te mijmeren over de Olympische Spelen in Peking: het was een succes, zowel in vormgeving als in sportprestaties, maar waar de Spelen nou werkelijk om gaan: verbroedert sport? Brengt het de verschillende nationaliteiten dichter bijeen? Ik weet het niet. Ik heb turnsters gezien die roerend afscheid van elkaar namen, die hebben meer gedeeld dan hun sport. Ik stel me zo voor dat ze adressen en telefoonnummers hebben uitgewisseld, met de belofte om elkaar nog eens op te zoeken. Maar vooral zag ik gezonde competitie.
Met gemak kom ik naast de man te fietsen, en naarmate ik dichterbij kom worden zijn ogen groter en groter. Hij leek onder de indruk. Hollandse fietsbenen denk ik, al zijn mijn benen niet eens zo sterk, en is mijn fiets zo oud als ikzelf. Ik denk dat het zoiets is als de Ethiopiërs die goed kunnen rennen en de Russen die goed kunnen ijsdansen: Nederlanders zijn goed in met een verbeten kop tegen de wind in fietsen. En de Chinezen… Tja, waar zijn zij niet goed in? In een Chinese krant werd kort na de Spelen de teleurstelling geuit dat ze zo weinig medailles in de wacht hebben gesleept. Met honderd medailles – 51 ervan goud – staan ze ruimschoots aan kop, maar het was niet genoeg. Hier gaat het niet meer om verbroedering, alleen nog om winnen. Natuurlijk is competitie onmisbaar bij een sportevenement, maar stijlvoller was het geweest als China aangaf trots te zijn op elke verdiende medaille, en op het feit dat ze zo’n goed lopend en spectaculair evenement hebben mogen verzorgen. Want Chinezen zijn goed in het tot in de puntjes verzorgen van een evenement.
Ik fiets de man voorbij, hij doet geen poging om me in te halen. Geen behoefte aan competitie, het was vooral respect voor dat waar de ander goed in is. Ach, zal de man gedacht hebben, ik ben weer goed in rennen.
Tekst: Grietje Hoogland, 2008


Plaats een reactie